GWW-Totaal 2 - 2025

PLATFORM VOOR GROND-, WEG- EN WATERBOUW 30 AANBESTEDEN & AANNEMEN Kostenverhogende omstandigheden, vertraging en meerwerk verlenging bij geaccordeerd meerwerk. Aanneemster stelt daarentegen, dat haar melding van uitloop impliciet een verzoek om termijnverlenging inhield. Stucwerkzaamheden liggen namelijk wel degelijk op het kritieke pad: geen stucwerk is geen behang of sauzen, en geen plafonds. Arbiters gaan hier in mee. Zij zien in de meerwerkofferte bovendien een vergoeding voor een uitloop van drie weken vermeld. Niet accordering daarvan staat niet aan een procedure bij de Raad van Arbitrage in de weg om alsnog vergoeding te krijgen. Dan ontstaat nog een discussie over de vraag of de gevorderde ABK over de vertraging wel correct zijn, en dat daarover (maximaal) 10% opslagen mag worden gehanteerd. Arbiters oordelen van wel. MEERWERK Dan de wijziging van de HSB-wanden. Het bestek schreef een folie voor die niet voldeed. Aanneemster had niet hoeven waarschuwen in de aanbestedingsfase, omdat sprake is van sowieso-kosten. De uiteindelijk toegepaste windstopper had er altijd in gemoeten. Levert dit een vergoeding op? Nee, omdat aanneemster geen bewijs van de aanspraak van de leverancier van de HSB-wanden had overgelegd. Bewijs ontbrak evenzeer voor de aanspraak ter zake extra staal in de techniekruimte. Resteert een aanzienlijke verrekenpost voor bouwkundige voorzieningen. Aanneemster had op aangeven van de E&W-installateurs extra sparingen gemaakt. Opdrachtgeefster verwijst aanneemster naar de E&W-installateurs. Aanneemster heeft echter met hen geen contractuele relatie, dus opdrachtgeefster dient te betalen. BTW EN RENTE Opdrachtgeefster stelt dat zij geen BTW en rente is verschuldigd en geen rente over BTW omdat aanneemster geen facturen had gestuurd. Het ontbreken van facturen verhindert toewijzing van BTW niet. Opdrachtgeefster betwist de rente, want de aanspraken zou niet opeisbaar zijn. Verrekening van het meer- en minderwerk vindt eerst plaats bij de eindoplevering van het werk. Bij gebreke van facturen voor het meer- en minderwerk is de vordering pas rentedragend vanaf de ontvangst van een factuur of vanaf de datum van het vonnis waarin een vordering wordt toegewezen. § 40 lid 11 UAV-2012 vereist geen factuur voor de verschuldigdheid van de eindafrekening, waarin het saldo meer- en minderwerk is opgenomen. En de toe te wijzen bedragen zijn volgens arbiters onderdeel van de eindafrekening. Opdrachtgeefster stelt dat sprake is van schadeclaims waarop de gewone rente ex artikel 6:119 BW van toepassing is. Arbiters gaan daarin niet mee. De rente wordt toegewezen naar het percentage van de handelsrente; het gaat om contractuele aanspraken. Echter, zonder de 2% verhoging, omdat niet voldaan is aan de daarvoor in § 45 lid UAV2012 gestelde eisen. CONCLUSIE Dit vonnis toont maar weer eens het belang aan van een deugdelijke onderbouwing van (schade)aanspraken. Arbiters stellen een prijsstijging vast, waarin rekening gehouden is met een voor rekening van aanneemster komende calculatiefout. • Post 3 betreft de HSB-wanden. Ook bij deze vordering komen arbiters niet tot een vergelijking, omdat informatie ontbreekt. Arbiters komen tot een prijsstijging van € 125.880,60. Die volgt uit € 270.880,60 minus het ondernemersrisico dat door aanneemster zelf was gesteld op € 145.000,-. Dit is slechts 1,3% van de aanneemsom van € 9.641.000,- exclusief btw. Dus geen aanzienlijke verhoging van de kosten van het werk. De vordering wordt integraal afgewezen. VERTRAGINGSPOSTEN Arbiters behandelen de gestelde vertraging in de engineering, de uitloop van het stucwerk en de late uithuizing. Aanneemster heeft haar aanspraak gebaseerd op vergoeding van een bedrag aan ABK per week inclusief opslagen, exclusief BTW. Bij de engineering is sprake van vertraagde gegevensverstrekking. Maar omdat het causaal verband deels ontbreekt wordt daarom maar vier van de elf weken vertraging toegewezen. Vertraging door een latere uithuizing zien arbiters helemaal niet. Het ligt echter anders voor de uitloop als gevolg van extra stucwerk. Opdrachtgeefster voert aan dat het ging om stucwerk in binnenruimtes, en dat is planningstechnisch niet kritiek. Bovendien is besteksmatig bepaald dat aanneemster geen recht heeft op aanvullende vergoedingen of bouwtijdTEKST: BARD VAN VEEN De eerste vordering gaat over extreme prijsstijgingen door de Oekraïne-oorlog. Arbiters hadden al geoordeeld dat prijsstijgingen na 8 februari 2022 voor vergoeding in aanmerking kwamen op grond van ‘onvoorziene omstandigheden’ in de zin van § 47 UAV-2012, in combinatie met artikel 13 van de overeenkomst. De vraag is nog of sprake is van een aanzienlijke verhoging van de kosten van het gehele werk. Prijsstijgingen komen bovendien alleen voor bijbetaling in aanmerking voor zover deze het ondernemersrisico overstijgen. Het ondernemersrisico laat zich niet in een vast percentage van de prijsstijging uitdrukken. Het hangt af van verschillende factoren, zoals de professionaliteit van de aannemer. Maar ook de vraag of er, zoals hier, vóór het aangaan van de overeenkomst signalen zijn geweest dat de prijs zou gaan stijgen. ONVOLDOENDE GEWAARSCHUWD Opdrachtgeefster heeft aangevoerd dat aanneemster niet conform § 47 lid 3 UAV2012 had gewaarschuwd; zij had weliswaar een beroep gedaan op kostenverhogende omstandigheden, maar geen concrete informatie verstrekt. Opdrachtgeefster had geen mogelijkheid gehad om controle uit te oefenen, voorstellen te doen, alternatieven te zoeken, het werk te vereenvoudigen of afscheid te nemen. Partijen hadden via artikel 13 in hun overeenkomst uit juli 2022 al verdisconteerd, dat het toen al lopende Oekraïne-conflict gevolgen kon hebben. Aanneemster had bovendien in september 2022 reeds posten aan opdrachtgeefster ter verrekening voorgelegd. Wat ontbrak, was inzicht in concrete prijsstijgingen, en dat mocht aanneemster nog verschaffen. Aanneemster gaat voor haar aanspraken uit van een combinatie van posten met concrete prijsstijgingen en posten op basis van indexering. Arbiters gaan hierin niet mee. Zij handhaven hun eerder oordeel dat uitsluitend concrete prijsstijgingen relevant zijn, die door aanneemster moeten worden bewezen. Arbiters beoordelen vervolgens de verstrekte vergelijking tussen de begroting en offertes. Daarbij is het noodzakelijk dat een vergelijking gemaakt wordt tussen de offertes, waarin mogelijk een inkoopvoordeel is opgenomen, en de werkelijk betaalde prijzen die blijken uit de contracten. Arbiters valt een aantal zaken op bij hun beoordeling van de drie grootste posten: • Post 1 gaat over de staalconstructie. Arbiters zijn niet overtuigd van die claim, omdat zij wat ‘onregelmatigheden’ in de offertes aantreffen. De noodzakelijke vergelijking kan niet worden gemaakt. • Post 2 gaat over houten gevelbekleding. Op 31 december 2024 is een eindvonnis gewezen in een langlopend geschil tussen aanneemster en haar opdrachtgeefster. Dit vonnis ziet op een drietal vorderingen waarvan arbiters in een eerder vonnis hadden geoordeeld, dat partijen zich daarover nog nadere mochten uitlaten. Waar gaat het om? B.R. (Bard) van Veen is advocaat bij Severijn Hulshof Advocaten te Den Haag. Tel. (070) 304 55 90, E-mail: b.veen@shadv.nl, www.severijnhulshof. nl. Voor vragen over dit artikel, kunt u mij bereiken via het genoemde mailadres. Het geschilnummer van deze zaak is: RvA 31 december 2024, geschilnr. 37.694. Dit project is ter illustratie en heeft geen relatie met het besproken geschil. Foto: Celdex.

RkJQdWJsaXNoZXIy NTI5MDA=