GWW-Totaal 7 - 2025

35 NUMMER 7 / DECEMBER 2025 0NDERNEMEN AANBESTEDEN & AANNEMEN Fatale termijn? Een planning geeft in beginsel slechts een indicatie van het beoogde tijdsverloop en is niet zonder meer als fatale termijn in de zin van artikel 6:83 sub a BW aan te merken. Kortom, doorgaans niet meer dan een streven of verwachting, en een leidraad zonder opleverdatum. Dit oordeel lijkt in lijn met hoe naar een ATS in de zin van paragraaf 26 UAV2012 wordt gekeken. De UAV waren echter niet van toepassing, althans dat blijkt niet uit de overeenkomst. Dit, tenzij uit de feiten en omstandigheden anders blijkt. Wil een termijn een fataal karakter hebben, dan moet uit de overeenkomst, correspondentie tussen partijen of verdere omstandigheden van het geval blijken dat partijen dit inderdaad (alsnog) beoogd hebben. Appelarbiters oordelen dat hoofdaanneemster onvoldoende heeft aangevoerd dat (toch) een fatale termijn was afgesproken. De aanvankelijke contractuele doorlooptijd was 30 tot 36 weken voor de montage en de productie. De montageplanning waarop hoofdaanneemster zich baseerde was aanzienlijk afwijkend. Dat onderaanneemster met deze ‘fatale’ planning met een grote verkorting van de overeengekomen uitvoeringsduur instemde, mocht hoofdaanneemster redelijkerwijs niet verwachten. Instemming van de uitvoerder van onderaanneemster schepte evenmin gerechtvaardigd vertrouwen. Bovendien had de uitvoerder alleen maar opmerkingen over levertijden gemaakt, en niet over de montageduur en opleverdata. Sterker nog, de betreffende uitvoerder had kort na de mail van hoofdaanneemster waarbij de planning werd toegezonden al gezegd dat montage vanwege de verschuivingen in het project en het slechte weer al moest worden uitgesteld. Ook anderszins was appelarbiters niet gebleken van een akkoord van onderaanneemster. UITSTELLEN PRODUCTIE VAN KOZIJNEN Appelarbiters oordeelden dat onderaanneemster gerechtigd was de productie van de kozijnen uit te stellen, gelet op het totale uitstel van het gehele project. Kortom, geen aan haar toe te rekenen vertraging. Onderaanneemster voert bovendien aan dat zij hinder heeft ondervonden door een cyberaanval bij haar leverancier en de oorlog in Oekraïne. Hoewel appelarbiters meegaan in het standpunt van hoofdaanneemster dat een succesvol beroep op overmacht voldoende gesubstantieerd moet worden, maakt dat in dit geval niet uit. Hoofdaanneemster had namelijk onvoldoende bestreden dat onderaanneemster haar werkzaamheden binnen de oorspronkelijk overeengekomen uitvoeringsduur van 30 tot 36 weken had uitgevoerd: een start met het belangrijkste deel van haar werkzaamheden in week 22 van 2022 en een oplevering in week 46 van 2022 komt neer op 24 weken. Zelfs met correctie van enkele weken was onderaanneemster binnen de oorspronkelijke uitvoeringsduur gebleven. De sommatie van hoofdaanneemster om te bevestigen dat alle kozijnen uiterlijk in week 29 van 2022 zouden zijn uitgeleverd en gemonteerd, was daarmee onterecht, en miste effect. Tot slot omvat het contractuele recht van hoofdaanneemster om eenzijdig onderaanneemster te verplichten de volgorde van de werkzaamheden nader in te vullen, niet het recht om onderaanneemster eenzijdig te verplichten het werk binnen een kortere doorlooptijd dan aanvankelijk was overeengekomen, uit te voeren. Kortom, maak termijnen (alsnog) duidelijk fataal. planning zou wel degelijk een planning met fatale termijnen voor de montagewerkzaamheden zijn. De montagewerkzaamheden van de buitenpuien zouden in week 15 van 2022 tot en met week 25 van 2022 plaatsvinden (7 weken montagetijd, 10 weken doorlooptijd). Het werk had in juni 2022 moeten worden opgeleverd. Hoofdaanneemster meende er op te mogen vertrouwen dat de productie van de kozijnen vóór de montage gereed was en dat de planning enkel nog zag op montagewerkzaamheden. Deze planning was niet nagekomen; de werkzaamheden aan de buitenkozijnen lagen op het kritieke pad waardoor de woningen niet op tijd konden worden opgeleverd en aanzienlijke schade is geleden. Onderaanneemster voert verweer en vindt appelarbiters aan haar zijde. De vertraagde start van de werkzaamheden komt voor hoofdaanneemster. Appelarbiters oordelen dat de overeengekomen termijn waarbinnen het werk gereed moest zijn – ‘uiterlijk begin 2022’ - een voldoende bepaalbare fatale termijn is. Maar dat maakt niet uit; die termijn was door toedoen van hoofdaanneemster al verstreken vóórdat onderaanneemster met de werkzaamheden aan de hoogbouw, het grootste deel van het werk, kon beginnen. STATUS PLANNING Het enkele feit dat partijen na het sluiten van de overeenkomst zich aan een planning hebben geconformeerd betekent niet dat zij daarmee ook een (nadere) fatale termijn voor de nakoming zijn overeengekomen. TEKST: BARD VAN VEEN De zaak ging inhoudelijk om het door onderaanneemster in opdracht van hoofdaanneemster leveren en monteren van aluminium kozijnen in een nieuwbouwproject. Hoofdaanneemster had gesteld dat onderaanneemster te laat had opgeleverd, waarmee zij gerechtigd was om circa € 500.000,- inclusief btw op een aanneemsom van circa € 1,5 miljoen inclusief btw in te houden. Onderaanneemster vorderde betaling van de openstaande termijnen; hoofdaanneemster vorderde betaling van de door haar geleden vertragingsschade ten gevolge van die te late oplevering. CONTRACTUITGANGSPUNTEN Centraal staat de vraag of uit de overeenkomst en wat daarop gevolgd is, af te leiden is dat partijen fatale termijnen zijn overeengekomen. En in het verlengde daarvan, of onderaanneemster wel toerekenbaar te laat had opgeleverd. De onderaannemingsovereenkomst in kwestie was gesloten eind 2020 en ging uit van start montage in meerdere aaneengesloten fases. Gestart zou worden in week 26 van 2021 en het werk zou uiterlijk begin 2022 moeten worden opgeleverd. Hoofdaanneemster had zich contractueel voorbehouden om de start, de volgorde en het tempo van de leveringen volgens haar planning te laten plaatsvinden. Daarmee gaven wijzigingen, versnellingen of vertragingen in de planning van onderaanneemster haar in dit geval geen recht op vergoeding van extra kosten. Ook was overeengekomen dat onderaanneemster bij te late oplevering hoofdaanneemster zou vrijwaren voor alle schade. Het werk is echter op verzoek van hoofdaanneemster aanzienlijk vertraagd gestart. Pas in week 16 van 2022 is onderaanneemster gestart met het aanbrengen van een klein deel van de kozijnen in het hoogbouwdeel, welke werkzaamheden het overgrote deel van de opgedragen werkzaamheden omvatten. Vervolgens is er weer een onderbreking van enkele weken geweest, waarna de rest van de kozijnen van de hoogbouw vanaf week 22 2022 is aangebracht; het werk van onderaanneemster is uiteindelijk pas in november 2022 opgeleverd. FATALE TERMIJNEN? In eerste aanleg zijn de vorderingen van onderaanneemster in conventie toegewezen en die van hoofdaanneemster in reconventie afgewezen. In appel vecht hoofdaanneemster de volgende oordelen van arbiters in eerste aanleg aan: (a) geen fatale opleveringdatum overeengekomen, (b) geen sprake is van vertraging in het werk van onderaanneemster, (c) onderaanneemster haar werkzaamheden niet te laat heeft opgeleverd en (d) dus geen sprake is van een tekortkoming van onderaanneemster. De door hoofdaanneemster aan onderaanneemster in april 2022 gemailde montageEen veel voorkomend punt van geschil is of partijen fatale termijnen overeen zijn gekomen. Artikel 6:83 sub a BW bepaalt, dat de schuldenaar bij overschrijding daarvan direct in verzuim is. Of van een fatale termijn sprake was stond centraal in het appelvonnis van de RvA d.d. 27 augustus 2025. B.R. (Bard) van Veen is advocaat bij Severijn Hulshof Advocaten te Den Haag. Tel. (070) 304 55 90, E-mail: b.veen@shadv.nl, www.severijnhulshof.nl. Voor vragen over dit artikel, kunt u mij bereiken via het genoemde mailadres. Het RvA geschilnummer van deze zaak is: 72.353. Foto ter illustratie. Foto: BAM Civiel.

RkJQdWJsaXNoZXIy NTI5MDA=