GWW-Totaal 4 - 2026

41 NUMMER 4 / SEPTEMBER 2026 0NDERNEMEN AANBESTEDEN & AANNEMEN Problemen met aanbrengen heipalen en onderaanneemster voor de uitvoering. Omdat geen uitvoeringsfout was komen vast te staan, werden de vorderingen van onderaanneemster toe- en van hoofdaanneemster afgewezen. UITSPRAAK IN HOGER BEROEP Hoofdaanneemster ging in beroep, omdat zij meende dat wel degelijk sprake was van een uitvoeringsfout. Hoofdaanneemster stelde, dat er drie oorzaken kunnen zijn voor het falen van de palen: een ontwerpfout, een van de verwachting afwijkende grondgesteldheid, of een uitvoeringsfout. Tegelijk erkende hoofdaanneemster dat zij voor de twee eerstgenoemde oorzaken aansprakelijk was; zij meende echter, dat uit haar deskundigenrapportage bleek, dat die oorzaken konden worden uitgesloten. Echter, appelarbiters wezen er wel op, dat op hoofdaanneemster de bewijslast rustte. Zowel ter zake de uitvoeringsfout, als ter zake haar stelling dat geen sprake is van meerwerk. Impliciet bevestigden appelarbiters daarmee het klassieke karakter van de aannemingsovereenkomst. WEGING VAN DE RAPPORTAGES Arbiters overwegen, dat de exacte oorzaak niet direct is aan te wijzen, omdat de schade diep onder de grond zit. Het geschil beperkte zich tot een weging van de deskundigenboord. Partijen hebben overleg gevoerd over de verdere voortgang. Tevens is het testplan van de productiepalen aangepast, omdat bepaalde gunstige omstandigheden niet waren meegenomen. De door beide partijen uitgevoerde onderzoeken gaven geen eenduidige oorzaak. Hoofdaanneemster heeft onderaanneemster opgedragen om bij elk van de palen die niet goed waren twee palen bij te boren; onderaanneemster heeft dit op eigen kosten gedaan. Nadien zijn nog meer proeven uitgevoerd, waarbij nogmaals een paal is bezweken. Hoofdaanneemster heeft daarop onderaanneemster aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolge van de gebrekkige uitvoering. Hoofdaanneemster heeft onderaanneemster diverse ‘herstelwerkzaamheden’ opgedragen, die onderaanneemster heeft uitgevoerd; zij beschouwde dit echter als meerwerk, en verlangde betaling. Na uitwisseling van diverse standpunten – uitvoerings- versus ontwerpfout - hebben partijen geen schikking bereikt, en is onderaanneemster de procedure gestart. OORDEEL IN EERSTE AANLEG In eerste aanleg is geoordeeld dat ondanks de toepasselijkheid van de UAV-GC 2005 sprake was van een klassieke aannemingsovereenkomst, waarbij hoofdaanneemster verantwoordelijk was voor het ontwerp TEKST: BARD VAN VEEN Op grond van de met de principaal gesloten UAV-GC 2005 overeenkomst had hoofdaanneemster het ontwerp gemaakt van – onder meer – de fundering. Deze zou toegepast gaan worden in het door haar aangenomen werk, bestaande uit de verbouwing van een treinstation. Hoofdaanneemster heeft vervolgens onderaanneemster benaderd om een UO palenplan inclusief detailberekeningen op te stellen, alsmede de levering van GEWI-staal, de levering van grout en het aanbrengen van GEWI-ankers. Onderaanneemster heeft verschillende offertes uitgebracht, waarbij de detailengineering van het GEWI-ankerpaal ontwerp als meerwerk werd aangeboden. Hoofdaanneemster heeft die engineering echter niet aan onderaanneemster opgedragen. Op grond van haar werkplan heeft onderaanneemster in nog niet afgegraven grond conform CUR 236 bezwijkproeven uitgevoerd in de nabijheid van de bouwkuip. Dit om te controleren of het ontwerp een deugdelijk resultaat zou opleveren. Onderaanneemster heeft in een rapportage de resultaten gepresenteerd. Vervolgens heeft onderaanneemster een werkplan opgesteld voor het realiseren van de GEWI-palen, dat door hoofdaanneemster is goedgekeurd. Hoofdaanneemster heeft voor de keuring van de gerealiseerde GEWI-palen zelf een rapportage laten opstellen. HERSTEL IS MEERWERK? Partijen hebben daarop een onderaannemingsovereenkomst gesloten met toepasselijkheid van de UAV-GC 2005, waarna onderaanneemster GEWI-palen in bouwkuip deel 1A is gaan aanbrengen. Alle steekproefsgewijs aangewezen palen hebben de geschiktheids- en controleproeven doorstaan. Dit was anders bij bouwkuip 1B. Daar voldeden vier palen niet en zijn herstelpalen bijgeOp 9 april 2026 heeft de RvA in hoger beroep uitspraak gedaan in een geschil tussen een hoofdaanneemster en haar onderaanneemster. Centraal stond de vraag wie aansprakelijk was voor de door onderaanneemster tijdens het aanbrengen van de heipalen ondervonden problemen. B.R. (Bard) van Veen is advocaat bij Severijn Hulshof Advocaten te Den Haag. Tel. (070) 304 55 90, E-mail: b.veen@shadv.nl, www.severijnhulshof.nl. Voor vragen over dit artikel, kunt u mij bereiken via het genoemde mailadres. Het RvA geschilnummer van deze zaak is: 72.372. Voorbeeldsituatie. Appelarbiters beoordeelden deze omstandigheden en hebben overwogen, dat deze alle kunnen zijn veroorzaakt door een slechte grondgesteldheid onder het oppervlak waar die boorstelling werkte. Dat volgens hoofdaanneemster uit de in de deskundigenrapportage van onderaanneemster benoemde negentien ‘verdachte’ palen een erkenning volgde, zagen arbiters anders. Het ging om niet meer dan een inschatting dat die palen wellicht niet voldoende draagkracht zouden hebben. Net als uit de boorstaten blijkt uit die inschatting niet dat de palen feitelijk onvoldoende draagkracht hadden, laat staan over de oorzaak. Appelarbiters verweten hoofdaanneemster, dat zij de conclusies van haar deskundige niet met verifieerbare berekening had onderbouwd. Dit, ook niet in appèl, hoewel onderaanneemster in eerste aanleg al had betoogd, dat zij daarom niet in staat was om de conclusies van hoofdaanneemster te controleren. Dat hoofdaanneemster aan het einde van de zitting alsnog aanbod om dergelijke berekeningen over te leggen, beschouwden arbiters als te laat. Appelarbiters konden meegaan in de stelling van hoofdaanneemster, dat er vergelijkingen te maken waren tussen de verschillende voorhanden zijnde sonderingen en de relatie tot de ‘goede’ grondgesteldheid. Echter, er waren evenzeer sonderingen die aantoonden, dat de grondgesteldheid heel grillig was; sonderingen die slechts een meter uit elkaar lagen toonden al relevante verschillen in wrijvingsweerstand. Appelarbiters wezen tevens op het door de deskundige benoemde fenomeen van ‘hoge kluit’. Juist bij trekslappe palen kan de mindere wrijvingsweerstand in de onderste vijf meter van de palen grote gevolgen hebben. Dat hoofdaanneemster in haar ontwerp niet met dit fenomeen had rekening gehouden kwalificeerden appelarbiters als een ontwerpfout. Hoewel nog niet breed beschreven in CUR-236, was dit onder specialisten al wel bekend. Appelarbiters concludeerden dat vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden niet kan worden uitgesloten, dat zij de doorslag hebben gegeven bij het falen van de paalproeven. Omdat bovendien berekeningen ontbraken, en de draagkracht van de andere palen niet was beschouwd, oordeelden appelarbiters, dat uitvoeringsfouten niet waren komen vast te staan. CONCLUSIE De feitelijke afspraken tussen partijen blijven relevant. Zorg voor zo concreet mogelijk onderbouwde bewijsstukken, mede in het licht van de bewijslast. En, wees up to date met de branchekennis. rapportages van beide partijen. Hoofdaanneemster voerde met verwijzing naar haar rapportage aan, dat uit de boorstaten van onderaanneemster bleek, dat er tijdens het trekken van de palen wijzigingen in de druk waren en dat er (plaatselijk) grote hoeveelheden grout waren verbruikt. In de bouwkuip zelf waren ook grote hoeveelheden groutresten aangetroffen. Tot sloten waren vier van de vijf losgetrokken palen gemaakt door één boorstelling.

RkJQdWJsaXNoZXIy NTI5MDA=